College 5a

Lees Schwitters hoofdstuk 2: ‘De sociale genese van recht en legitimiteit’ aan de hand van de volgende vragen:

1. Geef kort aan waar dit hoofdstuk over gaat.

2. Schwitters onderscheidt in paragraaf 2.8. twee modaliteiten van legitimiteit. Welke zijn dat?

3. Schwitters bespreekt het begrip ‘formeel rationeel recht’ en noemt drie eigenschappen hiervan. Noem en beschrijf kort de drie eigenschappen van formeel rationeel recht.

4. Wat bedoelt Schwitters met het instrumentele karakter van het recht van de verzorgingsstaat?

5. Wat is het juiste antwoord?

Door het instrumentele karakter van het recht:
a. Neemt de formele rationaliteit van het recht toe
b. Neemt de materiele rationaliteit van het recht toe

6. De ontwikkeling van de verzorgingsstaten is geïnspireerd door de gedachten van de Duitse kanselier Bismarck en die van de Brit William Beveridge. Nog steeds spreekt men van de opzet van het sociale zekerheidsstelsel naar het model-Bismarck of naar het model Beveridge.

a. Zoek op het internet minstens drie verschillen qua uitvoering en inhoud tussen deze twee modellen
b. valt Aruba ook als verzorgingsstaat te typeren?

7. Schwitters constateert een verschuiving in het trias politica evenwicht: het gewicht van de uitvoerende ten opzichte van de wetgevende macht wordt groter. Hoe komt dat volgens Schwitters?

8. En hoe zit het volgens Schwitters met de rechtsprekende macht?

10. Wat bedoelt Schwitters met horizontale of responsieve bestuursvormen?

11. Waarom is het responsief bestuur toegenomen?

Lees A.G. Croes: Good Government, Bad Politics aan de hand van de volgende vragen:

14. Geef in eigen woorden weer wat Croes bedoelt met zijn titel : Good Government, Bad Politics?

15. Zijn de ‘good governance’ normen volgens Croes door Nederland opgelegde normen?

No comments yet.

Geef een reactie