College 6.5 De sociale context van het wetgevingsproces

Met name bij controversiële wetsontwerpen komt het in andere landen regelmatig voor dat bijvoorbeeld het Parlement verlangt dat enkele jaren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet er een evaluatie-onderzoek plaatsvindt.

Het klassieke voorbeeld in de rechtssociologie is het onderzoek van de Noorse rechtssocioloog Vilhelm Aubert naar de Wet op het huishoudelijk personeel uit de vijftiger jaren. In feite wordt het door Aubert gebruikte formaat nog steeds toegepast bij de analyse van het wetgevingsproces en bij de evaluatie van wetgeving.

De volgende elementen kunnen daarbij worden onderscheiden:

a. Analyse van de beleidstheorie die aan de betreffende regelgeving ten grondslag ligt:hierbij gaat het om het blootleggen van de veronderstellingen die aan de wet- of regelgeving ten grondslag liggen.

Het gaat om vragen als: wat wordt door de overheid als probleem ervaren en vanuit welke waarde(n)? Wat wordt als oorzaak gezien voor het ontstaan van het probleem? Op welke veronderstellingen is de werking van de wet gebaseerd? (Bijvoorbeeld dat de dienstmeisjes wel naar de rechter zullen stappen bij overtreding van de arbeidsvoorwaarden door de werkgeefster).

b. Welke opvattingen hanteert de wetgever ten aanzien van de uitvoering van de betreffende wetgeving? (Uitvoeringstheorie).

Uit de literatuur valt op te maken dat belangrijke voorwaarden voor een effectieve uitvoering van wetten zijn:

  • kennis en informatie bij de doelgroep over de gedragsnormen;
  • de doelgroep moet in staat en in de gelegenheid zijn om het betreffende gedrag te ontplooiien;
  • de doelgroep moet ervan overtuigd zijn dat naleving van de norm ook in het eigen belang is;
  • er moet een adequaat handhavingsmechanisme zijn.
    Het via regelgeving veranderen van maatschappelijk gedrrag stelt hoge eisen aan het gezag van de betreffende norm (de algemene acceptatie, het draagvlak), aan de bekendmaking en informatie, aan de wijze waarop actoren worden ‘geoefend’ in het gewenste gedrag, aan de mate waarin de handhaving en gekozen sancties aansluiten bij de omstandigheden op de sociale werkvloer.

c. De agendabouw-theorie is geen verklarende theorie maar biedt een referentiekader om het proces te beschrijven waarin een item op de maatschappelijke agenda wordt geplaatst en het uiteindelijk brengt tot een wetsvoorstel.
Niet alle maatschappelijke wensen en noden leiden tot wetgeving. Er is een veelheid aan actoren die invloed uitoefenen op de agenda en het wetgevingsproces: belangenbehartigers, pressiegroepen, politici, journalisten, wetenschappers, etc.
Veel aandacht in deze benadering is er voor de ‘ijzeren ring’ van ambtenaren, lobbyisten en belangenbehartigers.

d. Het wetgevingsproces als belangenstrijd: in deze benadering wordt het wetgevingsproces expliciet als belangenstrijd gezien waarbij de strijd gaat over de vraag of er wat geregeld moet worden en zo ja, wat en hoe.

De probleemstelling zelf kan onderwerp van strijd zijn; is abortus een principiële kwestie (bescherming van ongeboren leven) of een medisch-technische? Het antwoord bepaalt in belangrijke mate het type oplossing en het soort regelgeving.

De belangen kunnen op hetzelfde niveau liggen (werkgevers en werknemers over het loonniveau), maar ook op verschillende niveaus (milieu en economie).
Elk belang heeft zijn eigen rationaliteit. Onderscheiden worden ondermeer de economische, de technisch-wetenschappelijke, de juridische en de politieke rationaliteit (b.v. het oordeel van de achterban of de rust in de coalitie).

e. De instrumententheorie: zijn de bestuurlijke instrumenten van wetgeving effectief of zijn er alternatieven voor wetgeving?

No comments yet.

Geef een reactie