College 1.6 Glossarium van het sociologisch jargon

Net zoals juristen hebben ook sociologen een eigen vakjargon. Het minimum-pakket aan sociologisch jargon wordt in Buiks e.a. contextueel geïntroduceerd. Het onderstaand lijstje zet het nog eens op een rijtje en vult aan.

Controle (sociale)
Het toepassen van positieve (beloning) of negatieve (straf) sancties ter handhaving en nakoming van waarden en normen in een groep.

Cultuur
samenhangend geheel van waarden en normen die mensen in een groep of gemeenschap delen; naast de dominante cultuur onderscheidt men bij sommige groeperingen in de samenleving ook ‘subculturen’ die in bepaalde opzichten afwijken van de dominante cultuur.
Anders dan in het dagelijks taalgebruik wordt de term in de sociale wetenschappen in neutrale en ruimere zin gebruikt (dus niet alleen kunst, maar ook b.v. eetgewoontes; niet alleen de hogere klassen hebben cultuur, maar ook de mensen in achterstandswijken).

Functie (sociale)
ieder objectief waarneembaar effect of gevolg van menselijke activiteiten en menselijk handelen; functies kunnen bewust en (h)erkend zijn (manifeste functies) of onbewust, onvoorzien en niet (h)erkend (latente functies)

Groepering (sociale)
een verzameling mensen die op de een of andere wijze is af te grenzen van de omgeving. Men onderscheidt:

  • sociale categorie: men deelt een bepaald kenmerk met elkaar zonder met elkaar te interacteren of elkaar te kennen (b.v. studenten, 60-plussers)
  • groep: men heeft vrij frequente en regelmatige interactie met voor het groepsleven gemeenschappelijke waarden en normen. Men onderscheidt de ‘primaire’ groep, kleine groep met veel contacten en ook affectieve (gevoelsmatige) relaties (b.v. gezin) en ‘secundaire’ groep, met minder intensieve en meer zakelijke contacten tussen de leden (b.v. een bedrijf of een universiteit)
  • organisatie: is een groepering waarin via bepaalde procedures de activiteiten worden gereguleerd en gecoördineerd met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel.

Institutie
vast patroon van gedrag volgens welke men bepaalde dingen in de samenleving doet, ‘omdat het zo hoort’.
Instituties bestaan uit een samenhangend geheel van posities en rollen. Het proces waarbij gestandaardiseerde gedragspatronen ontstaan noemt men institutionalisering.
Voorbeelden van instituties: het huwelijk en het gezin.

Interactie (sociale)
de wisselwerking in het gedrag tussen mensen als gevolg van communicatie;
basisgegeven in de sociologie: gedrag is niet willekeurig, maar sociaal bepaald zodat in de meeste situaties een bepaalde gedragscode geldt.

Klasse
economische positie; in de moderne, geïndustrialiseerde samenleving wordt de klasse vooral bepaald door het beroep en het inkomen. Door de verschillende klassen kan de samenleving worden opgevat als bestaande uit verschillende ‘lagen’ (zie ook ‘stratificatie’)

Macht
het vermogen om het gedrag van anderen te bepalen of te beinvloeden, desnoods tegen hun wil;
gezag is legitieme of aanvaarde machtsuitoefening. Omdat niet iedereen in de samenleving eveneel macht heeft is macht de politieke variant van stratificatie.

Mobiliteit (sociale)
het dalen of stijgen op de maatschappelijke ladder (verticale mobiliteit); horizontale mobiliteit is het verwisselen van de ene positie naar een andere binnen dezelfde sociale laag. Moderne samenlevingen kennen een grotere mobiliteit dan traditionele samenlevingen.

Norm
gedragsregel, collectieve verwachting over hoe men zich in een bepaalde situatie moet gedragen; normen zijn verbonden met de positie en de rol van de persoon.

Positie (sociale)
de plaats die iemand heeft ten opzichte van anderen in de structuur van de samenleving of binnen een groep. Aan elke positie is een rol verbonden.
Posities kunnen worden verworven op basis van een prestatie (‘achieved’) of geërfd c.q. toegeschreven (‘ascribed’). In moderne samenlevingen zijn de meeste posities verworven.

Referentiekader
geheel van gemeenschappelijke waarden, normen, overtuigingen en vanzelfsprekend-heden op grond waarvan de leden van die groep waarnemen oordelen en handelen.

Rol (sociale)
specifieke, aan een positie gekoppelde norm; bindende verwachtingen ten aanzien van het gedrag van de positiebekleder.

Rollenconflict
dilemma en tweestrijd bij een persoon die geconfronteerd wordt met tegenstrijdige verwachtingen met betrekking tot zijn gedrag.

Men onderscheidt:

  • intern rollenconflict: wanneer een persoon als bekleder van één positie tegelijkertijd wordt geconfronteerd met tegenstrijdige verwachtingen
  • extern rollenconflict: wanneer een persoon als bekleder van meerdere posities tegelijkertijd wordt geconfronteerd met tegenstrijdige verwachtingen.

Sociaal
betrekking hebbend op het intermenselijk verkeer. Anders dan in het dagelijks taalgebruik is de term neutraal; vandalisme bijvoorbeeld is een sociaal verschijnsel dat sociologisch kan worden verklaard.

Socialisatie
het aanleren van de waarden en normen van de groep of samenleving. De psychologische term voor dit sociologische begrip is internalisatie (verinnerlijking van waarden en normen).

Status
de waardering of het prestige die mensen toekennen aan een positie als zodanig, los van de persoon die de positie bekleedt; dit is de sociaal-psychologische variant van stratificatie.

statussymbool: uiterlijke kenmerken die horen bij de status van een positie (bijvoorbeeld de toga van rechters en advocaten);

Stratificatie
geeft de ongelijkheid aan in de samenleving of binnen een groepering; de samenleving kan worden opgevat als bestaande uit verschillende sociale ‘lagen’ die in een hierarchische verhouding tot elkaar staan.
Men onderscheidt drie hoofdvormen van stratificatie, te weten gebaseerd op klasse, status of macht.

Structuur
de wijze waarop een bepaalde maatschappij is ingericht, de rangschikking van sociale posities en hun onderlinge verhouding. Structuur verhoudt zich tot cultuur als vorm tot inhoud.

Waarde
gemeenschappelijke voorstellingen en opvattingen binnen een maatschappij of groepering omtrent hetgeen goed, juist en daarom nastrevenswaardig is.

No comments yet.

Geef een reactie