College 1.5 Het sociologisch en juridisch perspectief vergeleken

Omdat ook sociologen het slachtoffer kunnen worden van selectieve waarneming komt de vraag op naar de waardevrijheid en de objectiviteit van de sociologie.

Onpartijdigheid
Met waardevrijheid wordt bedoeld dat de socioloog zijn eigen idealen, oordelen en overtuigingen als het ware moet vergeten en de maatschappij als een onpartijdige buitenstaander moet benaderen.

Dit idee van waardevrijheid werd door Weber in de sociologie geintroduceerd. Hij stelde daarbij uitdrukkelijk dat de keuze van wat wordt onderzocht wordt beinvloed door de waarden of belangstelling van de socioloog. Maar als die keuze eenmaal is gemaakt, dient de socioloog volgens Weber bij zijn onderzoek zijn eigen opvattingen verder buiten beschouwing te laten.

Mythe of niet?
Over de mogelijkheid van waardevrijheid zijn dikke boekwerken geschreven. Sommige sociologen noemen de waardevrijheid een ‘mythe’; zij geloven niet dat sociologen zich (helemaal) los kunnen maken van hun overtuigingen.

Onderzoeksregels en -criteria
Om toch zo objectief mogelijk te zijn geldt een aantal grondregels bij het doen van sociaal wetenschappelijk onderzoek. Deze grondregels geven ook criteria voor het beoordelen van dit soort onderzoek.

Bewust
Allereerst moet de onderzoeker zich bewust zijn van zijn eigen waarden en zoveel mogelijk vermijden selectief te werk te gaan.
Hij moet eerlijk weergeven wat hij waarneemt en bijvoorbeeld niet alleen op zoek gaan naar gegevens die in zijn straatje passen.

Welke opvattingen heb ik?
De onderzoeker zal ook zijn opvattingen expliciet moeten maken, zodat anderen weten op grond van welke waarden hij tot bepaalde uitspraken over de samenleving komt.

Beschrijven
Tenslotte zal de onderzoeker nauwkeurig moeten beschrijven hoe hij aan zijn gegevens en conclusies komt: naar welke gegevens hij heeft gezocht, waarom juist die en geen andere, en hoe hij zijn gegevens heeft verzameld en (statistisch) geanalyseerd. Anderen moeten als het ware kunnen ‘narekenen’ of zij ook tot dezelfde uitkomsten zouden zijn gekomen.

Sein und Sollen
Kortom: de sociologisch onderzoeker zal een scherpe scheiding moeten maken tussen wat hij wenselijk of onwenselijk vindt aan de ene kant, en dat wat hij feitelijk vaststelt aan de andere kant. Uit datgene wat is kan niet worden afgeleid wat men behoort te doen. Dit onderscheid tussen ‘zijn’ en ‘behoren’ wordt ook wel aangeduid met de Duitse termen Sein en Sollen.

De praktische realiteit
Hoe langer u rechten studeert hoe meer de neiging ontstaat om de juridische schijn voor de maatschappelijke werkelijkheid te houden; de (rechts)sociologie maakt u bewust van de beperkte reikwijdte van het (positieve) recht. Immers, het overgrote deel van het sociale leven voltrekt zich zonder verwijzing naar het recht, laat staan dat er een jurist tussenbeide komt.

Wat de jurist doet
Ook juristen putten uit gebeurtenissen in de sociale werkelijkheid; maar er is een verschil in perspectief tussen de juridische en sociologische benadering.

Een jurist kwalificeert rechtsfeiten (= sociale feiten met juridische relevantie) in termen van het geldende recht, teneinde tot rechtsgeldige uitspraken te komen: is dit gedrag strafbaar, is dit een geldige overeenkomst? Dat zijn normatieve vragen binnen het kader van het geldende recht (law in the books).

Wat de socioloog doet
Tegenover dit intern normatieve perspectief van de jurist staat het extern empirische perspectief van de socioloog: sociologen houden zich niet primair met de inhoud van het recht bezig, maar vooral met de werking van het recht in de samenleving (extern perspectief, recht in maatschappelijke context).

Empirische vragen
Een socioloog beschrijft, interpreteert en verklaart de feiten van het recht: wanneer zien zakenmensen af van het sluiten van waterdichte contracten en heeft iedereen wel feitelijk gelijke toegang tot rechtshulp? Dat zijn empirische vragen over de werkelijkheid of over de feitelijke werking van het recht (law in action).

Gamma-discipline
Als sociale wetenschap bedient de (rechts)sociologie zich van empirische methoden zoals het interview en de enquête en wordt samen met de andere mens- en maatschappijwetenschappen gerekend tot de gamma-disciplines.
De rechtenstudie doet qua onderwerp denken aan de mens – en maatschappijwetenschappen, maar wordt door zijn methode (tekstkritiek) gerekend tot de alfa-wetenschappen.

  • Juridisch gezien kennen we in ons land gelijke kansen op onderwijs. Sociologisch gezien blijkt echter dat bepaalde bevolkingsgroepen ondervertegenwoordigd zijn in het havo/vwo. Ook zijn er op dit punt verschillen tussen jongens en meisjes. Noem een aantal factoren die dit op een sociologische manier verklaren.
  • Speelt het probleem van de waardevrijheid ook bij juristen? Licht uw antwoord toe.
No comments yet.

Geef een reactie