College 1.3 De sociologie als ‘crisiswetenschap

Van oudsher zijn er wel personen geweest die nadachten over hun samenleving en het menselijk samenleven. Uit niet verloren gegane bronnen weten we dit in ieder geval van bijvoorbeeld de Indische cultuur, de Chinese cultuur en de oude Grieken.

Geboorte van een wetenschap
De sociologie wordt echter algemeen als een jonge, ‘moderne’ wetenschap beschouwd: vanaf de 18e eeuw ontstaat er in West-Europa een nieuwe, andere wijze van denken over de samenleving². En het zou nog tot het midden van de negentiende eeuw duren voordat Auguste Comte de naam ‘sociologie’ voor deze jonge wetenschap bedacht.

Waarom dan pas?
Waarom begint dit nieuwe denken zich pas vanaf de achttiende eeuw in West-Europa te manifesteren en wat zijn de grondkenmerken van dit nieuwe denken?

Om met de eerste vraag te beginnen: het ontstaan van de sociologie hangt samen met de radicale, diep-ingrijpende maatschappelijke veranderingen die in West-Europa op gang kwamen rondom de Franse Revolutie in de 18e eeuw en de Industriële Revolutie in de 19e eeuw.

Over deze veranderingen zijn boekwerken vol geschreven. Hier wordt volstaan met een korte typering van de belangrijkste veranderingen. In de recentere geschiedenis komen we veel van deze veranderingen ook tegen in de zgn. Derde Wereld of ontwikkelingslanden waar industrialisering plaatsvindt.

De belangrijkste veranderingen laten zich als volgt typeren:

  • het verdwijnen van de feodale landbouw (leenheer vs. horige) en de opkomst van het kapitalisme, gepaard gaande met de ontluistering van oude machten (adel, kerk en de standenmaatschappij), het ontstaan van nieuwe klassen (bourgeoisie of burgerij en proletariaat) en een meer ‘open’ samenleving met een grotere sociale mobiliteit;
  • het succes van de natuurwetenschappen en hun wetenschappelijke methode, onder meer wat betreft de toepassing in het productieproces (technologie);
  • de mechanisering van het productieproces, gepaard gaande met een toenemende arbeidsdeling en specialisatie, het verdwijnen van de huisnijverheid met als gevolg een scheiding tussen het gezin als consumerende eenheid en het bedrijf of de fabriek als productie-eenheid, toenemende massaproductie en het op zoek gaan naar nieuwe markten om de producten af te zetten;
  • de toenemende verstedelijking (urbanisatie) en bevolkingsdichtheid, ondermeer door de trek van het platteland naar de fabrieken in de steden, gepaard gaande met wantoestanden zoals de slechte woonsituatie en de uitbuiting van arbeiders (denk aan vrouwen- en kinderarbeid);
  • secularisatie (verwereldlijking) of het in betekenis afnemen van religieuze waarden en normen, ondermeer tot uiting komend in de teruglopende rol van de Kerk (geestelijkheid) en de ontkerkelijking;
  • de vorming van steeds meer nationale, gecentraliseerde staten en de daarmee gepaard gaande bureaucratisering van het overheidsapparaat;
2. Zie voor een uitgebreidere geschiedenis van de sociologie ondermeer Goddijn e.a.: Geschiedenis van de sociologie, Boom Meppel, 1980
No comments yet.

Geef een reactie