Op dagen als deze vroeg hij zich vaak af waarom hij niet ergens rond de evenaar was gaan wonen. Daar waar de zon altijd op de zelfde tijd op komt en op dezelfde tijd weer onder gaat. Zeker met dit regenachtige weer. Het zwiepende geluid van de dynamo galmt tussen de huizen door. Het is donker en guur. Nat. Gebogen achter zijn stuur ploegt hij zijn weg door de neerslag naar huis. Zijn handen verkleumd, de handschoenen waren na drie kwartier fietsen meer dan doorweekt, hijzelf tot op het bot. De laatste bocht om zijn eigen straat in. De geparkeerde auto’s links en rechts staan erbij als donkere kadavers.
De lantaarnpaal voor zijn huis geeft alles een grimmige slagschaduw. Hij zet zijn fiets tegen de lantaarnpaal, kettingslot eromheen. De regen valt door het licht, iedere druppel tekent zich extra scherp af. Het sijpelt nu over zijn gezicht, zijn wenkbrauwen en wimpers verzadigd, zijn ogen prikken. Hij wil naar binnen. Zijn natte kleren en schoenen uit doen, een handdoek door zijn haar halen. Zijn badjas aan en het bad vol laten lopen. Weer warm worden.
Hij doet zijn handschoenen uit en pakt zijn sleutels uit zijn jaszak. Met twee passen staat hij voor zijn deur, draait hem van het slot, in gedachten ligt hij al uitgebreid in bad. Een rilling loopt over zijn rug op het moment dat hij de drempel over stapt. Snel trekt hij de deur achter zich dicht. Eindelijk droog. Weg van die grimmige wereld daarbuiten.
Uit gewoonte veegt hij zijn schoenen aan de mat. Onnodig omdat hij ze zo snel mogelijk uit wil trekken en op de verwarming te drogen gaat leggen. Maar de mat is weg. Daar waar de mat zou moeten liggen ziet hij stoeptegels. Hij kijkt op van zijn voeten en ziet zijn fiets tegen de lantaarnpaal staan. De straat oogt nog steeds even grimmig. Als hij zich omdraait staat hij weer voor zijn eigen deur. De sleutel nog in zijn hand. Maar dit keer krijgt hij de deur niet open.
Het is in ieder geval opgehouden met regenen. Hij kijkt nog eens door de straat, langs de donkere schimmen van de auto’s. Nergens brand licht, niemand is thuis, alleen de lantaarn voor zijn deur is aan. Dat is niet het enige wat hem opvalt. De straat is droog, geen plassen, geen druppels. Alleen hij is nog doorweekt en drupt op de stoep. Waar hij ook is, hier heeft het niet geregend.
Eerst die schoenen uit. Dan op zoek naar iemand. Hij trekt zijn been omhoog om zijn schoen uit te doen en zoekt houvast aan een auto. De auto voelt niet als metaal maar als een ruwe vacht en begint zachtjes te grommen. Verschrikt trekt hij zijn hand terug, hij verliest zijn evenwicht en valt op de stoep. Een groot oog midden in de schaduw die hij auto dacht kijkt hem aan.








Nou, wat die wel gebruikt heeft! Of wellicht vanwege andere redenen wat in de war.