Toen de wekker ging, sliep Frits nog als een roos.
Een half uur later opende hij de ogen, gaapte en rekte zich uit. Toen schoot hij overeind. Hij greep naar zijn horloge en vloekte. Verdorie, verslapen! Als een pijl schoot hij in zijn kleren, waste zich min of meer, werkte wat ontbijtkoek naar binnen, alsmede een glas melk, en rende terwijl hij zijn jas aandeed naar buiten.
Nog buiten adem van het fietsen liep hij door de schuifdeuren van het grote kantoorpand. In de lift ging hij stiekem op het klapstoeltje zitten, maar stond op voordat een ‘ping!’ aangaf dat hij op de gewenste etage was. Snel, maar niet te snel, stapte hij de gang door tot aan kamer 10.5; daar opende hij de deur.
‘Goedemorgen!’ riep hij zo vrolijk mogelijk. Zijn toch al neppe glimlach verging helemaal toen hij merkte dat iedereen plotseling stilviel en hem verbaasd aanstaarde. Verbaasd? Nee, het was eerder alsof zijn collega’s een wonder aanschouwden. Meerdere monden vielen open en Frits kon zich niet aan de indruk ontrekken dat sommige gezichten pure afschuw uitdrukten. Een absurd idee ging als een schok door Frits heen, en snel keek hij naar zichzelf – naar zijn buik en benen – maar hij had gewoon kleren aan. De nachtmerrie dat hij naakt voor zijn collega’s stond werd niet bewaarheid.
Frits durfde niks te vragen. Hij schaamde zich dat hij niet wist wat blijkbaar zo duidelijk te zien was aan hem. Of had hij iets gedaan? De avond ervoor was hij niet stomdronken naar een hotel gegaan om vervolgens een misdaad te plegen die hij nu was vergeten – een misdaad die onderhand op nu.nl stond en andere snelle media. Zoiets had hij nog nooit gedaan, ook gisteren niet. Ook herinnerde hij zich niets van een grove belediging aan het adres van een van zijn collega’s of een of andere handtastelijkheid. Wat was er dan in godsnaam aan de hand?
‘Uh-uh… goedemorgen Frits,’ zei uiteindelijk zijn collega Wim-Jan, ‘uhm, sorry voor de – onze…’. Hij viel stil en keek even wanhopig naar zijn bureaublad, alsof hij daar een reddende engel zocht. ‘Koffie?’ zei hij ten slotte. Alsof hiermee de oplossing was gevonden, ontdooiden ook de andere collega’s en ging het geluid weer aan. ‘Ik haal wel even koffie – wie wil er ook?’ – ‘ja, doe mij maar’ – ‘ik wil thee’ – ‘zal ik een hele pot zetten?’ – ‘Hé Frits!’ – ‘Abe, heb je zo even tijd?’ – ‘zo zo’ – ‘oké, is goed’.
Ondanks het idee dat het leven weer normaler werd, voelde Frits nog duidelijk een gespannen sfeer. De meeste collega’s meden Frits’ blik en deden gewoon of hij er niet was. Frits wist niet wat hij erger vond: de surrealistische stilte van daarnet of dit toneelstuk. Maar wat kon hij anders dan plaatsnemen achter zijn computer en deze opstarten, zoals elke doordeweekse dag?
Een kwartier ging voorbij. Hoewel de spanning zeker niet weg was, en het gebeuren nog stevig natrilde in Frits’ hoofd, zorgden de werkzaamheden op zijn scherm ervoor dat zijn hart langzaam weer rustiger sloeg en zijn hoofd minder rood werd.
En toen sprak Abe. ‘Frits, hoe was eigenlijk de kookles gisteren?’ Frits keerde zich om naar Abe. Vreemd, Abe was eigenlijk nooit echt geïnteresseerd in zijn leven, laat staan als het over zoiets als kookles ging. ‘De kookles? Oh, daar ben ik niet heen gegaan – ik had last van hoofdpijn en was nogal moe, dus is mijn broer erheen gegaan. Ik kon het niet meer annuleren, vandaar. En mijn broer houdt ook wel van koken.’
Frits merkte dat het weer stiller werd. Sommige van zijn collega’s keken hem openlijk aan, andere via een zijdelingse blik. Elise ademde hoorbaar in met een verschrikt geluid en sloeg haar hand voor de mond.
‘Heb je een boer? Dat wist ik helemaal niet!’. Abe zei het alsof hij Frits de schuld ergens van gaf. ‘Ja,’ zei Frits, ‘ik heb een tweelingbroer, Bastiaan. Is dat zo raar?’
Voor Abe antwoord kon geven, ging de deur open en stapte de conciërge binnen. ‘Frits,’ zei hij wat opgelaten, ‘hier is iemand die jou wil spreken’. Achter de conciërge kwam een agent tevoorschijn. O mijn god, dacht Frits, heb ik dan toch iets gedaan?! De agent liep een eindje naar hem toe. ‘Meneer Huysmans? Ik ben officier Van Balen. Ik vrees dat ik een vervelend bericht voor u heb. Uw broer, Bastiaan van Balen, is vanochtend om zes uur gevonden naast de Groene Beek bij Kamhuizen. Helaas moet ik u melden dat uw broer is gestorven.’ Frits wilde honderd dingen vragen aan de agent: hoe is hij gestorven, hoe laat is hij gestorven, waarom is hij dood, wie heeft hem gevonden, waarom belt u nu pas, wat moet ik nu doen, wat moet ik nu doen… Maar hij zweeg. Het was alsof iemand hem een vuistslag in zijn buik had gegeven en hij hapte naar adem. ‘Meneer Huysmans, is alles oké met u? Meneer? – Ik weet dat het een schok moet zijn voor u.’
Frits schudde verward zijn hoofd en keek om zich heen. Naar zijn collega’s – zijn collega’s die niet hadden geweten dat hij een tweelingbroer had. Zijn tweelingbroer, die zo veel voor hem betekende en hem altijd zo goed begreep. ‘Komt u even mee?’ vroeg de agent, en legde zijn hand op Frits’ schouder. ‘Heel even – even – ik kom zo…’ zei Frits afwezig. ‘Ik ben beneden,’ zei de agent, en verliet de kamer.
Een minuut was alles stil. Toen sprak Elise met trillende stem. ‘Shit, Abe, en wat doen we nu?’ Iedereen keek nu naar Abe. Deze zuchtte en keek met een vorsende blik naar Frits. ‘Tja…’








No comments yet.