Een schel geluid rukt hem abrupt uit zijn droom. Geschrokken gooit hij de dekens van zich af en gaat rechtop zitten. Een moment weet hij niet waar hij is en wat hem zo genadeloos wakker gemaakt heeft. Dan dringt het schelle geluid nogmaals hard door: het is zijn telefoon. Hij grabbelt naar zijn bril op het nachtkastje, probeert het lichtknopje van het bedlampje te vinden en is dan eindelijk in staat om de telefoon op te nemen. Het ouderwetse draaitoestel had zo leuk gestaan in de antiekwinkel, maar het geluid blijkt ’s nachts door merg en been te gaan.
‘Hallo?’ Zijn stem is nog schor van de slaap en zijn hartslag heeft zijn normale tempo nog niet teruggevonden. Even hoort hij niets, maar dan hoort hij zacht gesnik. ‘Hallo? Wie is daar?’, fluistert hij. Het gesnik zwelt even aan, hij hoort een diepe zucht en daarna niets. Opgehangen. Verbaasd kijkt hij naar de ouderwetse hoorn in zijn hand. Hij krijgt nooit nachtelijke telefoontjes en al helemaal geen telefoontjes van huilende mensen.
De volgende ochtend loopt hij gapend de keuken in, terwijl de kat cirkeltjes rond zijn benen draait. Het telefoontje heeft hem nog een uurtje flink bezig gehouden en dat heeft zijn nachtrust geen goed gedaan. Het zachte gesnik bleef maar door zijn hoofd malen: wie was deze nachtelijke beller en waarom huilde zij? Hij dacht althans dat het een zij was, voor zover hij dat midden in de nacht met een luid bonkend hart kon opmaken uit het zachte geluid. Terwijl hij een kop koffie zet en de kat zijn welverdiende brokjes geeft, hoort hij een harde klap. Het geluid lijkt uit de woonkamer te komen. Voor de tweede keer in korte tijd zit zijn hart in zijn keel. Even overweegt hij om net als de kat naar buiten te vluchten, maar besluit dan toch op zijn tenen naar de woonkamer te sluipen.
Pas wanneer hij zijn hand op de deurklink legt, beseft hij dat hij geen enkel wapen heeft meegenomen uit de keuken. De koksmessen die hij bij elkaar gespaard heeft met zegeltjes van het tankstation hangen nog netjes aan hun magneetstrip. Zelfs het kopje koffie heeft hij laten staan, alhoewel een inbreker wellicht niet zo onder de indruk is van de dreiging van een cappuccino. Het is stil aan de andere kant van de deur en heel langzaam duwt hij de klink naar beneden. Dan gooit hij met een luide schreeuw de deur open, bedoeld om de inbreker de stuipen op het lijf te jagen.
De jonge, mooie vrouw die lijkbleek en met betraande ogen op zijn bank zit, trekt de deken bij het horen van zijn schreeuw nog strakker om zich heen. Haar schouders beginnen te schokken en hij herkent het gesnik onmiddellijk. De nachtelijke beller. Verward kijkt hij naar haar en vervolgens naar de fruitschaal voor haar op de grond. De appels die daarin zaten liggen verspreid over de grond. Een aantal zijn al bedorven: hij is niet zo’n fruiteter.
‘Eh, wie ben jij en wat doe je op mijn bank?’ Het meisje kijkt naar hem op en haalt haar schouders op. ‘Je weet niet wie je bent?’ Zijn eerdere verbazing begint om te slaan naar geïrriteerdheid. Wie denkt ze wel niet dat ze is? Hem middenin de nacht wakker bellen en vervolgens in te breken in zijn huis? ‘Als je nu niet zegt wie je bent, gooi ik je er onmiddellijk uit. Gesnik of niet.’ En om zijn woorden kracht bij te zetten, zet hij een paar passen naar voren, daarbij een bedorven appel ontwijkend.
Ik weet niet hoe ik heet, maar mijn vrienden noemen me Meeuw’, fluistert het meisje. ‘Meeuw!?’ Hij weet nog net te voorkomen dat hij vraagt wat voor vrienden dat zijn die een mooi meisje vernoemen naar een egoïstische en opdringerige vogel. Maar dat lijkt op dit moment niet de meest handige vraag aan een meisje dat snikkend op een bank in een voor haar vreemd huis zit. ‘Okee, eh Meeuw. Wat doe je in mijn huis? En hoe kom je eigenlijk binnen? En waarom heb je me vannacht wakker gebeld?’ De stortvloed aan vragen blijkt een averechts effect op Meeuw te hebben. Terwijl de vogel normaal erg luidruchtig is, is dit meisje juist ontzettend stil. Een groter contrast is bijna niet mogelijk. Met grote, natte ogen kijkt ze hem aan, de deken nog steeds vastgeklemd in haar handen. ‘Mag ik alsjeblieft een glaasje water?’
Na een korte aarzeling draait hij zich om en loopt terug naar de keuken. Terwijl hij een glas pakt en de kraan opendraait, dringt de absurdheid van de situatie tot hem door. Hij haalt een glas water voor een volslagen vreemde die gewikkeld in een deken op zijn bank in zijn huis zit en ook nog eens een hele vreemde naam heeft. Waarom heeft hij de politie nog niet gebeld of haar resoluut de deur uit gezet? En waarom heeft hij zo’n onbestemd gevoel in zijn maag? Dan valt zijn oog op de ansichtkaart die op zijn koelkastdeur zit, geklemd onder zo’n magneet die alleen toeristen meenemen. Op de voorkant van de kaart staat een standaard vakantietafereel: een wit strand, ergens ver van hier, met palmbomen en een handjevol locals die met een geïmproviseerde hengel de meest tropische vissen uit het water halen.
De kaart vond hij weken geleden tussen de stapels rekeningen, aanmaningen en gevreesde blauwe enveloppen. De kaart was aan hem gericht en er stond slechts een enkele zin op: ‘Ik kom eraan.’ Geen afzender en ook het handschrift kwam hem niet bekend voor. Hij had de kaart op zijn koelkast onder een magneet gestoken en had er niet meer aan gedacht. Nu sloeg die ene zin echter in als een bom: ‘ik kom eraan.’ Zou Meeuw iets met die kaart te maken hebben?
Met het glas in zijn hand haast hij zich weer terug naar de woonkamer, vastbesloten dit mysterie op te lossen en erachter te komen waarom Meeuw juist zijn bank heeft uitgekozen om op uit te huilen. Wanneer hij de woonkamer binnenkomt, blijkt de vogel echter gevlogen. De deken ligt in een propje op de bank en de appels liggen nog verspreid over de vloer. Van Meeuw is echter geen spoor meer te bekennen. Verbaasd zet hij een stap naar voren, precies bovenop een van de bedorven appels. Het glas water glipt uit zijn hand, terwijl hij zwaaiend met zijn armen zijn evenwicht probeert te bewaren. Tevergeefs, met een harde klap glijdt hij onderuit.
Met een schok zit hij rechtop in bed. De wekker geeft met rode cijfers 03.14 uur aan. Terwijl hij de rare droom over het meisje met de vreemde naam Meeuw van zich af probeert te schudden, gaat zijn telefoon. Als hij opneemt, hoort hij alleen zacht gesnik.
Gebruikte elementen uit opdracht 1
Een mooie vrouw, bedorven appels en een meeuw
Een nachtelijk telefoontje, een ver strand en een kat









